![]() |
HERKOMST
In oorsprong is de geschiedenis van de American Akita identiek aan de ontwikkeling van de Japanse Akita. Sinds 1603 werden in de provincie Akita, de Akita Matagi ( middelgrote hond) gebruikt als vechthonden. Vanaf 1868 werd dit ras gekruist met de Tosa inu, de Mastiff, Duitse Dog, Sint Bernard en Duitse Herder. Daardoor nam het formaat van deze honden toe, maar karakteristieken als opstaande oren en de gekrulde staart, die kenmerkend zijn voor de Akita (Spitz type), gingen verloren (gelukkig is dit later hersteld). Toen de tweede Wereldoorlog eindigde was het aantal Akita's drastisch verminderd. Er bestonden op dat moment 3 typen;
Matagi Akita (middelgrote Akita)
Fighting Akita (vechthonden)
Shepherd Akita (hoeders)
Dit gaf de nodige verwarring in de situatie. Gedurende de wederopbouw van dit ras na de oorlog genoot Kongogo, van de Dewa-lijn een enorme populariteit. Veel Akita's van deze lijn, die zowel karaktertrekken hadden van de Mastiff en de Duits Herdershond , werden na de Tweede Wereldoorlog door militairen naar de Verenigde Staten meegenomen. Deze Akita's trokken de aandacht van Amerikaanse fokkers en de honden namen toe. In 1956 werd de Akita Club of America (AKC) opgericht, de American Kennel Club (AKCO accepteerde het ras in oktober 1972). Helaas accepteren de Amerikaanse en Japanse rasvereniging de registratie van elkaars honden niet, zodat de deur gesloten bleef voor de introductie van nieuwe lijnen uit Japan. Het gevolg was dat de verschillen in type aanzienlijk werden. Zo ontwikkelde zich een op zichzelf staand type, met eigenschappen en een rasbeeld dat sinds 1955 ongewijzigd is gebleven. Dit staat in scherp contrast met het Japanse type, dat werd gekruist met de Matagi Akita's, met als doel het restaureren van het oorspronkelijk zuivere ras.In 1999 heeft Japan gesteld de twee rassen naast elkaar te laten bestaan. Amerika wilde graag dat hun Akita's de naam American Akita zouden dragen maar Japan heeft daar een stokje voor gestoken. De naam Akita is door het nationaal erfgoed alleen behouden aan het Japanse type (lees; Matagi type). Uiteindelijk heeft Japan de naam "Great Japanese Dog" voor dit grotere type gekozen. Hieruit is wel gebleken dat alleen de landen die aangesloten zijn bij de FCI (Federation Cynologique Internationale) deze naam voeren. Landen als Engeland, Amerika, Canada, Australië, enz. zijn de naam Akita blijven voeren. De laatste berichten uit Engeland en Amerika luiden dat daar het Japans type van naam is veranderd of gaat veranderen. Daar zullen deze honden Japanese Akita genoemd worden en de Great Japanese Dog zal daar Akita blijven.
Het natuurlijk temperament van de American Akita is hetzelfde als van de Akita en ook hij heeft dus nauwelijks zachte gevoelens voor andere honden. Hij meet zijn krachten en deinst er niet voor terug zijn wil bij andere honden op te leggen. De American Akita laat weinig van zich horen omdat hij van naturen geen blaffer is, als hij van zich laat horen moet je er aandacht aan schenken en het onderzoeken. Onderschat ook nooit het beschermende instinct van de American Akita. Ook een American Akita heeft een sterke drang naar onafhankelijkheid.
Gebruik: Waakhond, Verdedigingshond, Blinde- Lawine- en Reddingshond, Jachthond. De volwassen American Akita heeft net als de Akita veel beweging nodig.
Rasbeschrijving
Hoofd: Massief, zonder rimpels.
Ogen: Donkerbruin van kleur, in verhouding klein, bijna driehoekig van vorm. Oogleden zwart en aangesloten. Vleeskleurige oogleden alleen toegestaan bij de witte honden.
Oren: Krachtig opstaand en klein in verhouding tot de rest van het hoofd. Als het oor naar voren gevouwen wordt om de lengte te meten, zal de punt van het oor het bovenlid van het oog raken. Driehoekig van vorm, licht afgerond bij de punt, breed bij de aanzet, niet te laag aangezet.
Gebit: Scharend heeft de voorkeur, maar een tanggebit is aanvaardbaar.
Hals: Dik, gespierd met minimale keelhuid, in verhouding kort.
Lichaam: Langer dan hoog. huid niet te dun, noch te strak, noch te los.Verhouding hoogte tot lengte is 9:10 voor de reu en 9:11 voor de teef. De voorborst is breed en diep. De rug recht en de lendenen goed gespierd. Onderbelijning loopt matig op..
Ledematen: Rechte voorbenen voorzien van zwaar bone. Sterk gespierde achterhand met een matige hoeking.
Voeten: Rechte kattenvoeten.
Staart: Groot, vol en goed bedekt met haar, hoog aangezet en over de rug gedragen of voor driekwart deel tegen de flanken gedragen en naar de achterhand gericht. De staart moet tot aan het spronggewricht reiken.
Gangwerk: Krachtig met matig uitgrijpen en stuwend.
Vacht: recht, hard, dubbele vacht met dikke zachte ondervacht.
Kleur: Alle kleuren toegestaan, met of zonder masker. Ook vlekken (platen) op een witte ondergrond (Pinto)zijn toegestaan.
Schofthoogte: Reu, 66-71 cm, Teef, 61-66 cm.
Fouten: Vrouwelijk lijkende man, Mannelijk lijkende vrouw. Ondervoor- en bovenvoorbijter. Gevlekte tong. Te korte staart. Gemis van de tanden (behalve PM 1 en/of M3).Schuwheid (angst). Ogen te licht van kleur.
Diskwalificerende
fouten: Vleeskleurige neus of totaal gemis van pigmentatie bij honden met
andere kleur dan wit. Hangende staart. Hangende oren. Te lang van haar.
Ondervoorbijt. Sikkel vormige of ongekrulde staart. reuen kleiner dan 63,5 cm.
Teven kleiner dan 58,5 cm.
